Navigation
Account
Winkelmand 0 items for 0,00

Geen producten in je winkelmand.

De UFHJ stelt dat de procedures van overheidsopdrachten niet kunnen worden toegepast op het ambt van gerechtsdeurwaarder

De UFHJ stelt dat de procedures van overheidsopdrachten niet kunnen worden toegepast op het ambt van gerechtsdeurwaarder

Nadat de prestaties van de gerechtsdeurwaarder tien jaar lang onvoorwaardelijk onderworpen bleven aan de wetgeving op de overheidsopdrachten, kan geen enkele aanbestedende overheid vandaag nog ontkennen dat het bijzonder moeilijk is om bij het kiezen tussen verschillende deurwaarders andere criteria dan het gebruikelijke criterium van de prijs te laten spelen.  De gerechtsdeurwaarder, een ambtenaar die van de Staat de opdracht kreeg om Justitie, voor, tijdens en na de rechtsvordering bij te staan, kreeg in het verleden wanneer hij zich niet in het vaarwater van andere beroepen bevond bij Koninklijk Besluit een eenheidstarief opgelegd, wat het geval is in het merendeel van zijn opdrachten.

 

 

Hoe kunnen gerechtsdeurwaarders van wie de pertinente toegangsvoorwaarden bij wet zijn vastgelegd zich objectief onderscheiden wanneer het tarief geen criterium is? Blijven dan enkel praktische criteria over, zoals  operationele capaciteit (uitvoeringssnelheid, computermateriaal, statistische hulpmiddelen) en  procedurele methodologie (die hoofdzakelijk door het Gerechtelijk Wetboek zijn vastgelegd).

 

 

Maar ook op dat punt stuit de aanbestedende overheid op de rechtspraak van de Raad van State die voor recht zegde “zijn van de gunningscriteria uitgesloten, de criteria die hoofdzakelijk betrekking hebben op de ervaring van de inschrijvers, op de kwalificaties en de uitrusting van hun personeel en op de middelen die van aard zijn om een goede uitvoering van de betreffende opdracht te garanderen[1].

 

 

Wat de gerechtelijke fase betreft, moet herhaald dat de gerechtsdeurwaarder niet krachtens een eventueel met zijn cliënt ondertekend contract, maar krachtens de Wet handelt.  Is de opdracht wettelijk gegrond en bevindt de gerechtsdeurwaarder zich niet in een door het Gerechtelijk Wetboek voorziene toestand van onvermogen dan mag hij de opdracht die men hem wil toevertrouwen niet weigeren.

 

 

Het hoofdelement dat in aanmerking moet worden genomen is dus niet de hoedanigheid van vrij beroep van de gerechtsdeurwaarder, maar wel zijn ambt als openbaar gezagsdrager: de gerechtsdeurwaarder handelt als emanatie van de rechterlijke macht, ook in het kader van de niet-monopolistische opdrachten, zoals de minnelijke invordering van schulden van de consument.

 

 

Is die laatste opdracht onderworpen aan de vrije mededinging inzake de erelonen die de opdrachtgever betaalt wanneer de schuldenaar een “consument” is, dan kan die alleen binnen het deontologisch kader vastgelegd door de verschillende overheden van de gerechtsdeurwaarder (Openbaar Ministerie, disciplinaire commissies samengesteld uit gerechtsdeurwaarders en derden, Rechtbank van eerste aanleg in beroep) en onder hun exclusieve controle worden uitgeoefend.  De rol en verplichtingen van gerechtsdeurwaarders worden strikt vastgelegd en gesanctioneerd in artikel 519, § 3 van het gerechtelijk wetboek dat de gerechtsdeurwaarder oplegt in het belang, de rechten en de verplichtingen van zowel de schuldeiser als de schuldenaar op te treden ongeacht of hij al dan niet een monopolie voor die opdrachten heeft.

 

 

 

De leden van de UFHJ wensen dan ook dat alle opdrachten van de gerechtsdeurwaarder, zonder uitzondering, bij de omzetting van richtlijn 2014/24 EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG, zoals impliciet voorzien door artikel 10, d, v. van het toepassingsveld van de wetgeving op de overheidsopdrachten worden uitgesloten.

 

 

[1] Raad van State, arrest nr. 193.924 van 08/06/2009, Rolnummer /A. 192.783/VI-18.237

Back to top